Flexi (PP) RIP-bedieningshandleiding
Met duidelijke stappen en figuurbijschriften
1. Voorbereiding vóór RIP
Voordat u met de RIP-bewerking begint, moet u ervoor zorgen dat u de volgende belangrijke stappen hebt voltooid:
1.1 Software-installatie en activering
Uw Flexi (PP)-software moet correct geïnstalleerd, geregistreerd en geactiveerd zijn.
Indien dit nog niet is voltooid, zie:
“Handleiding voor Flexi (PP)-accountregistratie en -activering"
“Flexi (PP) Software-installatiehandleiding"
1.2 Initiële voorkeursinstellingen
U zou de basisinstellingen voor de softwarevoorkeuren moeten hebben voltooid volgens de "Flexi (PP) Initiële voorkeursinstellingshandleiding".
1.3 ICC-profielen laden
U zou al het ICC-profiel moeten hebben geladen dat overeenkomt met uw printer en afdrukmateriaal, op basis van de "Flexi (PP) ICC-importgids".
Deze stap is cruciaal om nauwkeurige afdrukkleuren te garanderen!
1.4 De afbeeldingsbestanden voorbereiden voor het afdrukken
Zorg ervoor dat het afbeeldingsbestand dat u wilt rippen (bijvoorbeeld JPG, TIFF, PDF, enz.) op uw computer is opgeslagen en gemakkelijk terug te vinden is.
2.2 Een afdruktaak toevoegen
Klik in het hoofdmenu van de Flexi-software op het pictogram Taak▼ en selecteer vervolgens 'Taak toevoegen' in het vervolgkeuzemenu.
Menu Taak toevoegen
2.3 Afbeeldingbestand importeren
Er verschijnt een dialoogvenster. Klik op de "Toevoegen"knop om de map op uw computer te openen en het afbeeldingsbestand te selecteren dat u wilt afdrukken.
Afbeeldingsbestand importeren
2.4 Het venster Taakeigenschappen openen
Dubbelklik op de geïmporteerde afbeelding (aangegeven met een rode pijl) om het venster 'Taakeigenschappen' te openen, waarin u gedetailleerde afdrukinstellingen kunt configureren.
Venster Taakeigenschappen
2.5 Media- en taakinstellingen aanpassen
In het venster ‘Taakeigenschappen’ ziet u verschillende instellingsgebieden (gemarkeerd door een rood kader).
Pas de volgende instellingen aan op basis van uw werkelijke afdrukbehoeften:
- Mediatype-instelling: Kies het mediatype dat overeenkomt met uw daadwerkelijke afdrukmateriaal. Dit heeft invloed op de afdrukkwaliteit.
Media Breedte
Mediahoogte
Linkermarges
Rechtermarges
Bovenmarge
Ondermarge
- Instelling taakgrootte: Pas de uiteindelijke uitvoergrootte van uw afbeelding aan. U kunt de exacte breedte en hoogte invoeren of een vooraf ingestelde grootte selecteren.
Uitvoerbreedte
Rechtermarges
Schaal opdrachten zo groot mogelijk, maar pas ze nog steeds aan in het afdrukbare gebied van de uitvoermedia.
Evenredig
- Instelling taakpositie: Pas aan waar u de taken op de media wilt uitvoeren.
Horizontale offset
Verticale offset
- Instelling Kopieën: Als u meerdere kopieën wilt afdrukken, kunt u hier het aantal kopieën en de lay-out instellen.
Geef het aantal te maken kopieën op
De horizontale afstand tussen kopieën instellen
De verticale afstand tussen kopieën instellen
Media- en taakinstellingen
2.6 Beeldpositie en -oriëntatie instellen
Ga door met het configureren van de volgende instellingen in het venster 'Taakeigenschappen':
Rechts
Centrum
Mediacentrum
Links
- Gebied met rood kader: draai of spiegel de afbeelding om te voldoen aan speciale afdrukbehoeften.
Niet verticaal gespiegeld
Verticaal gespiegeld
Afbeelding 90° omhoog
Afbeelding links 90°
Afbeelding 90° naar beneden
Afbeelding rechts 90°
- GreenBox-gebied: de horizontale en verticale afstand van afbeeldingen op media aanpassen (aanbevolen waarden zijn groter dan 0,5 inch).
De horizontale afstand tussen kopieën instellen
De verticale afstand tussen kopieën instellen
Afbeeldingspositie en -oriëntatie
2.7 Lay-outvoorbeeld weergeven
Nadat u de instellingen hebt voltooid, klikt u op de optie 'Lay-outvoorbeeld' boven de afbeelding (aangegeven met een rode pijl).
Dit laat zien hoe de afbeelding op de daadwerkelijke printmedia wordt weergegeven. Controleer zorgvuldig of de positie, het formaat en de richting correct zijn.
Lay-outvoorbeeld
2.8 Sluit het venster Taakeigenschappen
Nadat u hebt bevestigd dat alle instellingen correct zijn, klikt u op de knop “OK” om het venster “Taakeigenschappen” te sluiten.
Bevestig taakinstellingen
2.9 Start het RIP-proces
Ga terug naar de Flexi-hoofdinterface en zoek de afdruktaak die u zojuist hebt ingesteld.
Klik met de rechtermuisknop op de taak en selecteer 'RIP' (rode pijl weergegeven).
Op dit punt toont de statusbalk onderaan de software "Riping", wat betekent dat de software uw afbeelding omzet in machineleesbare afdrukopdrachten. Even geduld.
Start RIP-verwerking
2.10 RIP-proces voltooid
Wanneer de statusbalk “Riping done” weergeeft (aangegeven met een rode pijl), betekent dit dat het RIP-proces succesvol is voltooid.
RIP voltooid
2.11 Het RIP-bestand opslaan
Klik met de rechtermuisknop op de voltooide afdruktaak en klik vervolgens op 'Opslaan als' om het RIP-bestand op te slaan en later af te drukken.
RIP-bestand opslaan
2.12 Selecteer het opslagpad en geef het bestand een naam
Er verschijnt een dialoogvenster. Kies bovenaan de opslaglocatie (bijvoorbeeld Bureaublad).
Stel het bestandstype in op .prt, hernoem het bestand en klik op 'Opslaan'.
Pad en bestandsnaam opslaan
2.13 Controleer de voortgang van het opslaan
Controleer de voortgangsbalk onderaan de interface van Print Center. Als er "100% opslaan" staat, is het bestand succesvol opgeslagen.
Voortgang opslaan
2.14 Bevestig bestandslocatie
Ga naar de door u geselecteerde opslaglocatie (bijvoorbeeld het bureaublad) en controleer of het .prt-bestand met de door u gekozen bestandsnaam daar aanwezig is.
Verifieer opgeslagen bestand
Notities
- Voordat u een volledige afdrukopdracht uitvoert, adviseren wij u om eerst een klein voorbeeld af te drukken om de kleurnauwkeurigheid, uitlijning en algehele afdrukkwaliteit te controleren.
- Zo voorkomt u materiaalverspilling en bespaart u onnodige tijd.
